|
Aangezien de H23 (ex 1207) te breed was
voor het Rotterdamse profiel van vrije ruimte, werd gekozen voor
een PCC uit de serie 1100, die 15 cm smaller is. Dit had tot gevolg
dat de watertanks in de tram iets kleiner zijn. Tevens is de voorste
tank kleiner dan de achterste, om meer ruimte te scheppen in de
bestuurderscabine ten behoeve van medepassagiers.
Vanwege de onderdoorgang onder de NS sporen
bij station Rotterdam Noord moest de beugel verlaagd op het dak
aangebracht moest worden. Dit had ook gevolgen voor het ventilatiesysteem.
Er is een snelheidsbegrenzer ingebouwd,
die de maximum snelheid beperkt tot 40 km/h.
Aanpassingen aan de ruitensproeier-installatie.
Lijnnummerkasten: geel glas monteren en
aanpassen van de lichtgroepenschakeling.
Aanpassing van de achterlichten, en de bermlichten
werden richtingaanwijzers.
Hulptrekstangen en mobilofoonantenne aanpassen
aan Rotterdamse constructie.
Aanpassen van de bestuurdersstoel en diverse
aanpassingen in de wagen wegens het creëren van een derde zitplaats.
Aanbrengen van twee 40 Volt stopcontacten
t.b.v. looplampen.
De hydraulische pomp wordt m.b.v. een V-snaar
direct aangedreven door de motorgenerator. Deze constructie is later
ook bij de H23 aangebracht, maar aanvankelijk werd de pomp daar
aangedreven door een 40 Volt electromotor. Dit onderdeel moest echter
speciaal gemaakt worden en bleek nogal storingsgevoelig.
Aanpassen draaistelhoogte op Rotterdamse
bestrating: de wagenbak van de 2303 staat 15 mm 'hoger'; ook de
slag van de drukcylinders voor het bedienen van de slijpstenen werd
hiervoor vergroot.
Plaatsen van een schuifvenster in middenmontagedeur.
|